I gijl

bijv.naamw.
Verbuigingen:  gijler
Verbuigingen:  gijlst

gistend ''(van bier, tijdens de eerste gisting bij het brouwen)''
Voorbeeld:  `dat is gijl bier`


II het gijl

zelfst.naamw.

1) wort dat bij het brouwen van bier in het eerste stadium van gisting eerst nog heftig borrelt
Voorbeeld:  `(…) eer het Gijl ten vollen gevaat zal zijn (…)`

2) de eerste gisting bij het brouwen van bier (in het vat)
Voorbeeld:  `De Heeren Staaten Generaal hebben, op den 1 Maart 1584 (b) vastgesteld eene Ordonnantie, (…): dat a11e de Brouwers binnen de geünieerde Provinciën gehouden zouden zijn te betaalen twee stuivers van elke tonne Biers (…) die zij brouwen zullen, het zij grove of kleine Bieren, zoo die uit het Gijl komen, gevaat of bij maniere van aanbrouwen gebroken, of aan kleinder en van minder peil gemaakt worden;`

3) gist dat bij het bereiden van bier ontstaat tijdens het eerste stadium van gisting
Voorbeeld:  `(…) dat de Brouwer geen Gijl weder zal mogen laaten dobbelen of werken, eer het voorgaande is voldaan, (…)`


Bron: WikiWoordenboek.

2 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: o. zie CHIJL. ~, bier dat nog niet uitgegist is; gisting van versch bier in vaten. ~BIER, o. geen meervoud ~EN, ow. gelijkvloeiend ...
  2. 1) Biergist 2) Bloedvormend vocht 3) Eerste gist van bier 4) Gistend 5) Gisting 6) Gisting van bier 7) Gisting van vers bier 8) Schuim op bier
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
gijl (gist)