• kleine potjes lopen gauw over. (=kleingeestige mensen zijn snel kwaad.) • gegeven brokken zijn gauw gegeten. (=weldadigheid gaat meestal niet ver.) • gauw op het paard zitten. (=snel driftig worden) • gauw op de teentjes getrapt zijn (=erg gauw boos en beledigd zijn) • gauw is dood en langzaam leeft nog. (=iets te snel doen is niet goed) Toon alle 11 spreekwoorden die gau bevatten
4 definities op Encyclo
Groep Algemene Uitgevers
1) Fijisch eiland 2) Franse architect
Door de NSDAP ingesteld landsdistrict van het Duitse Rijk.
een waterweg (in veenlandschap?). Zie verder bij gouw .