de fuik

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  [fœyk]
Verbuigingen:  fuik|en (meerv.)

net om vis in te vangen
Voorbeelden:  `fuiken zetten in het meer`,
`een fuik vol palingen`
in de fuik lopen  (in een moeilijke situatie terechtkomen waar niet makkelijk uit te komen is) `in de fuik lopen van te star denken`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
val

Spreekwoorden en zegswijzen
• in de fuik zijn (=verloofd of getrouwd)
• in de fuik lopen (=door eigen stommiteiten in een valstrik lopen)
• achterin de fuik zit de paling (=je moet geduld hebben)
Naar de spreekwoorden

11 definities op Encyclo
  1. vrouwelijk geslachtsorgaan, vistuig
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: v. (-en), langwerpige korf (tot bewaring van visch in het stromend water); [figuurlijk] in de - zijn, verloofd -, getrouwd zijn.
  3. langwerpig vistuig Jaar van herkomst: 1383 (MNW )
  4. langwerpig, in een punt toelopend visnet vb: de visser had tientallen palingen in zijn fuik in de fuik lopen [in een situatie komen waar je niet gemakkelijk meer uit komt...
  5. Def.: vangkooi ten behoeve van de muskusrattenbestrijding
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met fuik:
fuiken

Deze woorden eindigen op fuik:
aalfuik

Herkomst volgens etymologiebank.nl
fuik (korfvormig visnet)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 98% van de Nederlanders en 90% van de Vlamingen het woord `fuik`.