het enkelvoud

zelfst.naamw.
Uitspraak:  ɛŋkəlvɑut]
Verbuigingen:  enkelvoud|en (meerv.)

<vorm van een woord die aangeeft dat het om één persoon of zaak gaat>
Voorbeelden:  `De eerste persoon enkelvoud van het werkwoord 'zijn' is 'ik ben'.`,
`Het enkelvoud van 'kinderen' is 'kind'.`
Antoniem:  meervoud

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
meervoud (antoniem)

Taaladvies
Is het `Wij hadden last van onze maag` of `Wij hadden last van onze magen`? Zie Enkelvoud / meervoud: last van onze maag / magen

4 definities op Encyclo
  • •een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert.
  • Het begrip enkelvoud of singularis betekent in de taalkunde dat in een taaluiting hetzij een bepaalde zaak in één exemplaar voorkomt, hetzij het aantal niet van belang...
  • vorm van woord die aangeeft dat er slechts van één exemplaar sprake is Jaar van herkomst: 1805 (Weiland, Spraakkunst )
  • 1) Eén exemplaar van iets 2) Getal (taalk.) 3) Getal (taalkundig) 4) Grammaticale term 5) Simplex 6) Singularis 7) Spraakkunstige term 8) Taalkundig begrip 9) Taalkundig...
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met enkelvoud:
    enkelvoudenenkelvoudigenkelvoudigheid

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    enkelvoud (singularis)