bezoedelen

werkw.
Uitspraak:  [bəˈzudələ(n)]
Vervoegingen:  bezoedelde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft bezoedeld (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

vies maken
Voorbeeld:  `bezoedelde kleren`
iemands goede naam bezoedelen  (iemand een slechte naam bezorgen door slechte dingen te vertellen)
bezoedelde familie-eer  ()

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aantasten beschadigen besmeuren bevlekken bevuilen eer door het slijk halen onteren tarreren verontreinigen vuilmaken

5 definities op Encyclo
  1. bevlekken Jaar van herkomst: 1562 (Toll. )
  2. iets doen of zeggen waardoor iemands goede naam beschadigd wordt vb: je bezoedelt de familie met je rare praatjes!
  3. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bedrijvend werkwoord] [gelijkvloeiend] (ik bezoedelde, heb bezoedeld), bevlekken, besmetten; - met. ZICH -, ww. *...LING, v. (-en), b...
  4. 1) Aantasten 2) Bekladden 3) Bemorsen 4) Beschadigen 5) Besmeren 6) Besmetten 7) Besmeuren 8) Bevlekken 9) Bevuilen 10) Bezwalken 11) Onteren 12) Ontreinigen 13) Schandvl...
  5. Bezoedelen of bedoezelen is het bevlekken, besmetten, vuil maken van onder andere drukwerk.
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
bezoedelen (bevlekken)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 88% van de Nederlanders en 94% van de Vlamingen het woord `bezoedelen`.