I het amen

zelfst.naamw.

term waarmee de geldigheid wordt bevestigd van iets dat gezegd is: het zij zo, het is zo (30×: Num. 5:22, Deut. 27:15 +, 1 Kon. 1:36, Jes. 65:16 met tekstkritiek, Jer. 11:5 +, Ps. 41:14, Neh. 5:13 +, 1 Kron. 16:36;
ook 129× in NT)


II amen

tussenwerpsel

dat zij zo, een slotwoord van gebeden en preken
Voorbeeld:  `In België wordt de uitdrukking "Amen en uit!" gebruikt, waar in het Nederlands "Punt uit!" voor gebruikt wordt.`


Bron: WikiWoordenboek.

Spreekwoorden en zegswijzen
• van eeuwigheid tot amen duren (=iets duurt heel erg lang, er komt maar geen einde aan)
• ja en amen zeggen (=kritiekloos instemmen)
Naar de spreekwoorden

Intensiveringen
Hoe kun je met amen een ander begrip versterken?
zeker als het amen in de kerk;

18 definities op Encyclo
  • Vergeten woorden (zw. -de) 1) almaar doorgaan 2) ergeren, lastigvallen = IJslands ama, ~ amel, aam, eem
  • het zij zo (laatste woord van gebed) vb: nu en in het uur van onze dood, amen
  • Esdorp met verspreide bewoning in de gemeente Aa en Hunze (tot 1998 Rolde) ten zuidwesten van Rolde en ten zuidoosten van Assen tussen het Amerveld in het westen en het A...
  • Grote vaten variërend van volume, die vooral worden gebruikt voor wijn, bier of water, en vroeger voor zalm en garnalen. Categorie: Houders > fusten.
  • Een Hebreeuwse formule aan het eind van een gebed die betekent: 'ja, zo is het ...' of 'moge het zo zijn'.
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met amen:
    amendeeramendeerdeamendeerdenamendeertamendementamenderenamenorrhoea

    Deze woorden eindigen op amen:
    aankwamenaannamenachteraankwamenachternamenachteropkwamenafbramenafkwamenafnamenamalgamenantilichamenbal samenbeamenbeetnamenbekwamenbelichamenbenamenberamenbeschamenbetamenbijeenkwamen

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    amen tw. als slotwoord ter bevestiging; (slotwoord)