aankunnen

werkw.
Uitspraak:  ankʏnə(n)]
Vervoegingen:  kon aan (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft aangekund (volt.deelw.)

1) sterk genoeg zijn om iets te kunnen doen
Voorbeeld:  `een zware baan aankunnen`

2) even sterk of sterker zijn dan (iemand anders)
Voorbeelden:  `Hij probeerde me op de grond te krijgen, maar ik kon hem makkelijk aan.`,
`iemand aankunnen in een debat`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aanpassen afkunnen ertoe in staat zijn ervan op het alleen zijn aankunnen opgewassen zijn tegen

3 definities op Encyclo
  • •baas kunnen.
  • er groot of slim of sterk genoeg voor zijn vb: Iris kan het huiswerk echt wel aan
  • 1) Aanpassen 2) Afkunnen 3) Berekend zijn 4) Berekend zijn voor 5) Ertegenop kunnen 6) Kunnen rekenen 7) Mannen 8) Opgewassen tegen
  • Toon uitgebreidere definities