Spreekwoorden met `oppe`

Zoek

27 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `oppe`

  1. aan dovemans deur kloppen (=vragen terwijl men geen gunstig antwoord hoeft te verwachten)
  2. bij iemand aankloppen (=hulp vragen)
  3. dat kan ik wel in mijn holle kies stoppen (=dat is wel een heel klein beetje)
  4. de eigen boontjes doppen (=de eigen zaken regelen zonder hulp van anderen)
  5. de koppen bij elkaar steken (=overleggen)
  6. de noppen van de kleren houden (=onkosten met zich meebrengen)
  7. de poppen aan het dansen (=de ruzie of problemen kunnen beginnen)
  8. de stoppen slaan bij hem door (=hij verliest zijn zelfbeheersing)
  9. handen als kolenschoppen (=zeer grote, sterke handen)
  10. het ene gat met het andere stoppen (=het slecht beheren van geld door met de ene schuld de andere af te lossen)
  11. iemand iets in de maag splitsen/stoppen (=iemand met iets opzadelen)
  12. iets in de doofpot stoppen (=ergens totaal niet meer over praten, verzwijgen)
  13. iets in zijn holle kies kunnen stoppen (=gezegd van eten : het is de moeite niet, het is te weinig)
  14. je vergalopperen (=al te snel iets willen doen)
  15. met iets op de proppen komen (=iets vertellen, ermee voor de dag komen)
  16. niet ruim kunnen soppen (=niet erg rijk zijn)
  17. niet vet kunnen soppen (=het niet breed hebben)
  18. onder de (groene) zoden stoppen (=iemand begraven)
  19. op de proppen helpen (=iemand steunen en verder helpen)
  20. over de koppen kunnen lopen (=gezegd als het erg druk is)
  21. poppetje gezien kastje dicht (=we laten het even zien, maar daarna is het voorbij)
  22. spijkers met koppen slaan (=doortastend optreden)
  23. tegen de schenen schoppen (=ruzie zoeken)
  24. tegen het zere been schoppen (=een pijnlijke opmerking maken over iets wat gevoelig ligt)
  25. uit de doppen kijken (=goed uitkijken)
  26. voor het inkoppen hebben (=een eenvoudige kans om in een discussie een punt te maken dankzij een voorzet van een ander)
  27. zo fijn als gemalen poppenstront (=zeer streng rechtzinnig)

24 betekenissen bevatten `oppe`

  1. in de kiem smoren (=al van bij het begin doen stoppen)
  2. het lieve leventje gaande (=de ruzie begonnen - de poppen aan het dansen)
  3. niet kunnen rijmen (=dingen die niet met elkaar kloppen of het samen niet kunnen begrijpen)
  4. het tij keren (=een ontwikkeling stoppen. Bijvoorbeeld ten aanzien van het toenemen van zinloos geweld. Zie getij)
  5. een mooi span voor een bokkenwagen (=een zonderling koppel)
  6. de pijp aan Maarten geven. (=er definitief mee stoppen)
  7. er een streep onder zetten (=er een eind aan maken, ermee stoppen)
  8. er een punt achter zetten (=er voorgoed mee stoppen)
  9. de boel erbij neergooien (=ermee stoppen)
  10. het bijltje erbij neerleggen (=ermee stoppen)
  11. de boeken sluiten (=ermee stoppen - bankroet gaan)
  12. een oude vogel is niet licht te vangen. (=ervaren mensen laten zich niet makkelijk foppen.)
  13. de vloer aanvegen met iemand (=iemand gemakkelijk kloppen/verslaan)
  14. iemand knollen voor citroenen verkopen (=iemand wat wijsmaken, met praatjes foppen)
  15. beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald (=je kan beter iets voortijdig stoppen dan doorgaan tot het helemaal verkeerd gaat)
  16. uien tappen (=moppen vertellen)
  17. de slappe lach hebben/krijgen (=niet kunnen stoppen met lachen)
  18. lekker is maar één vinger lang (=oppervlakkige genoegens geven ook maar een betrekkelijke voldoening. / leuke dingen duren meestal maar erg kort)
  19. een vos is niet licht met één strik te vangen. (=slimme mensen laten zich niet makkelijk foppen.)
  20. de schop afkuisen (=stoppen met het werk)
  21. de naald in het spek steken. (=stoppen met werken.)
  22. de fiets aan de haak hangen (=stoppen met wielrennen)
  23. mensen vertellen veel op een zomerse dag. (=verhalen kloppen niet altijd)
  24. van zijn hart geen moordkuil maken (=zijn gevoelens niet opkroppen / vrijuit zeggen wat je niet bevalt / eerlijk zeggen over hoe er over iets gedacht wordt)

50 dialectgezegden bevatten `oppe`

  1. as se äöver d’n duvel kals den treuts se ‘m oppe stert (=als je over iemand praat en die persoon komt er net aan) (Heitsers)
  2. as zene kop oppe vèrke stond, zoë ze zègge dattet beiske zik ès (=je ziet er niet uit!!!) (Munsterbilzen - Minsters)
  3. asdaaj hërre kop oppe vêrke stond, oet niemes genen heedkeis mei (=die is zo lelijk als de nacht) (Munsterbilzen - Minsters)
  4. Blaos doe mich oppe rök (=Je kan me m'n rug op) (Sittards)
  5. boatsjevolk oppe bek houwe (=excessief uitgaansgeweld tegen toeristen) (Snekers)
  6. d'r eine oppe zokke laote kui-jere (=een zacht windje laten) (Weerts)
  7. da gaef ich tich oppe brifke (=ik zweer het) (Munsterbilzen - Minsters)
  8. da steed waaj en tang oppe vèrke (=dat past niet bij elkaar) (Munsterbilzen - Minsters)
  9. dae gruje de haor oppe binnekantj vanne henj (=hij werkt niet hard) (Heitsers)
  10. dae haet niks oppe rubbe (=hij is heel mager; hij heeft weinig geld) (Heitsers)
  11. dae is lânkzaam oppe heuk (=iemand die lui is) (Weerts)
  12. dae is oppe hóndj (=hij is doodop) (Heitsers)
  13. dae is ouch noeëts örges gewaesj as inne kèrk en oppe mäöle (=dat is iemand met weinig levenservaring) (Heitsers)
  14. dae leutj zich de boeënestaak oppe kop sjerp make (=hij laat met zich sollen, zelfs als het pijn doet) (Heitsers)
  15. dae zie gaat verbörtj, mót oppe blaore zitte (=wie iets doms doet moet er voor boeten) (Weerts)
  16. dao kan gein kat oppe kist zeike (=Bij het minste of geringste) (Roggels)
  17. dao zit eine vraeme haan oppe mèstem (=er is een vreemdeling op het erf) (Aelsers)
  18. dat ès affreesëlëk, dat steet waaj ën tang oppë vérke (=dat is lelijk, dat trekt op niets) (Munsterbilzen - Minsters)
  19. dát haet niks ôppe zök (=dat stelt niets voor) (Horster)
  20. dat zèt ich tich oppë blaedsje (=beloofd !) (Munsterbilzen - Minsters)
  21. de broene oppe stál zétte (=Klaar zijn met een werk) (Weerts)
  22. de kêrk oppe toeëre zette (=de zaak verkeerd aanpakken) (Weerts)
  23. de lins oppe rögk höbbe (=erg moe; lui zijn (bijv. van de zon of zo)) (Heitsers)
  24. de pin oppe naas zitte (=iemand zeggen waar het op staat) (Sint-joasters)
  25. de stees oppe goed blaedsje bij zenen iëverste (=je bent gewaardeerd door je baas) (Bilzers)
  26. die haet häök oppe tenj (=zij laat niet met zich sollen) (Heitsers)
  27. Die zaak ligk oppe vot. (=die zaak is failliet) (Steins)
  28. eder zien meug, zag ‘t maedje, en ze pisdje oppe heibaesem (=ieder doet het op z’n eigen manier; ieder doet maar wat hij wil) (Heitsers)
  29. eets oppe muuw spelle (=iets wijsmaken) (Opglabbeeks)
  30. eine oppe lamp sjödde (=Een glaasje drinken) (Steins)
  31. emes de pin oppe naas zètte (=iemand onder druk zetten) (Heitsers)
  32. emes oppe puuzak pakke (=iemand op de rug dragen) (Opglabbeeks)
  33. genóg schrabbers oppe rubbe hebbe (=een reservepotje hebben) (Weerts)
  34. hae drejtj wi-j d'n haan oppe kêrktore (=iemand die steeds van mening verandert) (Weerts)
  35. hae heet de sleutel oppe deur gestoôke (=hij is failliet) (Weerts)
  36. Hae hieëter 'n paar oppe luip (=Hij is gek) (Weerts)
  37. hae is lânkzaam oppe heuk (=iemand die erg lui of te sloom is) (Weerts)
  38. hae is oppe klater (=iemand die op stap is) (Weerts)
  39. Hae is oppe Ruiver (=Hij is in Reuver) (Reuvers)
  40. hae liktj oppe schâw, hae liktj bove d'aerd (=iemand die opgebaard ligt) (Weerts)
  41. He klapt oppe letter (=Hij praat algemeen Nederlands) (Koersels)
  42. He werkt oppe put (=Hij is bovengronds mijnwerker) (Koersels)
  43. ie is zo lucht as oppe (=hij is licht) (Zeeuws)
  44. Klein kènjer traeë dich oppe sjòlk, groote op 't hart (=Kleine kinderen kleine zorgen, grote kinderen grote zorgen) (Sittards)
  45. Mia ha bra ka oppe mèrt (=Mia had het heel koud op de markt) (peers)
  46. miene bank sjteit oppe zök (=ik heb een lekke band) (Heldens)
  47. niks oppe tandj höbbe (=niets te eten hebben) (Susters)
  48. niks oppe tès (=geen geld bij je) (Nunûms)
  49. oppe boor woeëne (=buiten de stad wonen) (Weerts)
  50. oppe goed blaedsje ston (=goed aangeschreven staan) (Munsterbilzen - Minsters)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen