27 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `oppe`
- aan dovemans deur kloppen (=vragen terwijl men geen gunstig antwoord hoeft te verwachten)
- bij iemand aankloppen (=hulp vragen)
- dat kan ik wel in mijn holle kies stoppen (=dat is wel een heel klein beetje)
- de eigen boontjes doppen (=de eigen zaken regelen zonder hulp van anderen)
- de koppen bij elkaar steken (=overleggen)
- de noppen van de kleren houden (=onkosten met zich meebrengen)
- de poppen aan het dansen (=de ruzie of problemen kunnen beginnen)
- de stoppen slaan bij hem door (=hij verliest zijn zelfbeheersing)
- handen als kolenschoppen (=zeer grote, sterke handen)
- het ene gat met het andere stoppen (=het slecht beheren van geld door met de ene schuld de andere af te lossen)
- iemand iets in de maag splitsen/stoppen (=iemand met iets opzadelen)
- iets in de doofpot stoppen (=ergens totaal niet meer over praten, verzwijgen)
- iets in zijn holle kies kunnen stoppen (=gezegd van eten : het is de moeite niet, het is te weinig)
- je vergalopperen (=al te snel iets willen doen)
- met iets op de proppen komen (=iets vertellen, ermee voor de dag komen)
- niet ruim kunnen soppen (=niet erg rijk zijn)
- niet vet kunnen soppen (=het niet breed hebben)
- onder de (groene) zoden stoppen (=iemand begraven)
- op de proppen helpen (=iemand steunen en verder helpen)
- over de koppen kunnen lopen (=gezegd als het erg druk is)
- poppetje gezien kastje dicht (=we laten het even zien, maar daarna is het voorbij)
- spijkers met koppen slaan (=doortastend optreden)
- tegen de schenen schoppen (=ruzie zoeken)
- tegen het zere been schoppen (=een pijnlijke opmerking maken over iets wat gevoelig ligt)
- uit de doppen kijken (=goed uitkijken)
- voor het inkoppen hebben (=een eenvoudige kans om in een discussie een punt te maken dankzij een voorzet van een ander)
- zo fijn als gemalen poppenstront (=zeer streng rechtzinnig)
24 betekenissen bevatten `oppe`
- in de kiem smoren (=al van bij het begin doen stoppen)
- het lieve leventje gaande (=de ruzie begonnen - de poppen aan het dansen)
- niet kunnen rijmen (=dingen die niet met elkaar kloppen of het samen niet kunnen begrijpen)
- het tij keren (=een ontwikkeling stoppen. Bijvoorbeeld ten aanzien van het toenemen van zinloos geweld. Zie getij)
- een mooi span voor een bokkenwagen (=een zonderling koppel)
- de pijp aan Maarten geven. (=er definitief mee stoppen)
- er een streep onder zetten (=er een eind aan maken, ermee stoppen)
- er een punt achter zetten (=er voorgoed mee stoppen)
- de boel erbij neergooien (=ermee stoppen)
- het bijltje erbij neerleggen (=ermee stoppen)
- de boeken sluiten (=ermee stoppen - bankroet gaan)
- een oude vogel is niet licht te vangen. (=ervaren mensen laten zich niet makkelijk foppen.)
- de vloer aanvegen met iemand (=iemand gemakkelijk kloppen/verslaan)
- iemand knollen voor citroenen verkopen (=iemand wat wijsmaken, met praatjes foppen)
- beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald (=je kan beter iets voortijdig stoppen dan doorgaan tot het helemaal verkeerd gaat)
- uien tappen (=moppen vertellen)
- de slappe lach hebben/krijgen (=niet kunnen stoppen met lachen)
- lekker is maar één vinger lang (=oppervlakkige genoegens geven ook maar een betrekkelijke voldoening. / leuke dingen duren meestal maar erg kort)
- een vos is niet licht met één strik te vangen. (=slimme mensen laten zich niet makkelijk foppen.)
- de schop afkuisen (=stoppen met het werk)
- de naald in het spek steken. (=stoppen met werken.)
- de fiets aan de haak hangen (=stoppen met wielrennen)
- mensen vertellen veel op een zomerse dag. (=verhalen kloppen niet altijd)
- van zijn hart geen moordkuil maken (=zijn gevoelens niet opkroppen / vrijuit zeggen wat je niet bevalt / eerlijk zeggen over hoe er over iets gedacht wordt)
50 dialectgezegden bevatten `oppe`
- as se äöver d’n duvel kals den treuts se ‘m oppe stert (=als je over iemand praat en die persoon komt er net aan) (Heitsers)
- as zene kop oppe vèrke stond, zoë ze zègge dattet beiske zik ès (=je ziet er niet uit!!!) (Munsterbilzen - Minsters)
- asdaaj hërre kop oppe vêrke stond, oet niemes genen heedkeis mei (=die is zo lelijk als de nacht) (Munsterbilzen - Minsters)
- Blaos doe mich oppe rök (=Je kan me m'n rug op) (Sittards)
- boatsjevolk oppe bek houwe (=excessief uitgaansgeweld tegen toeristen) (Snekers)
- d'r eine oppe zokke laote kui-jere (=een zacht windje laten) (Weerts)
- da gaef ich tich oppe brifke (=ik zweer het) (Munsterbilzen - Minsters)
- da steed waaj en tang oppe vèrke (=dat past niet bij elkaar) (Munsterbilzen - Minsters)
- dae gruje de haor oppe binnekantj vanne henj (=hij werkt niet hard) (Heitsers)
- dae haet niks oppe rubbe (=hij is heel mager; hij heeft weinig geld) (Heitsers)
- dae is lânkzaam oppe heuk (=iemand die lui is) (Weerts)
- dae is oppe hóndj (=hij is doodop) (Heitsers)
- dae is ouch noeëts örges gewaesj as inne kèrk en oppe mäöle (=dat is iemand met weinig levenservaring) (Heitsers)
- dae leutj zich de boeënestaak oppe kop sjerp make (=hij laat met zich sollen, zelfs als het pijn doet) (Heitsers)
- dae zie gaat verbörtj, mót oppe blaore zitte (=wie iets doms doet moet er voor boeten) (Weerts)
- dao kan gein kat oppe kist zeike (=Bij het minste of geringste) (Roggels)
- dao zit eine vraeme haan oppe mèstem (=er is een vreemdeling op het erf) (Aelsers)
- dat ès affreesëlëk, dat steet waaj ën tang oppë vérke (=dat is lelijk, dat trekt op niets) (Munsterbilzen - Minsters)
- dát haet niks ôppe zök (=dat stelt niets voor) (Horster)
- dat zèt ich tich oppë blaedsje (=beloofd !) (Munsterbilzen - Minsters)
- de broene oppe stál zétte (=Klaar zijn met een werk) (Weerts)
- de kêrk oppe toeëre zette (=de zaak verkeerd aanpakken) (Weerts)
- de lins oppe rögk höbbe (=erg moe; lui zijn (bijv. van de zon of zo)) (Heitsers)
- de pin oppe naas zitte (=iemand zeggen waar het op staat) (Sint-joasters)
- de stees oppe goed blaedsje bij zenen iëverste (=je bent gewaardeerd door je baas) (Bilzers)
- die haet häök oppe tenj (=zij laat niet met zich sollen) (Heitsers)
- Die zaak ligk oppe vot. (=die zaak is failliet) (Steins)
- eder zien meug, zag ‘t maedje, en ze pisdje oppe heibaesem (=ieder doet het op z’n eigen manier; ieder doet maar wat hij wil) (Heitsers)
- eets oppe muuw spelle (=iets wijsmaken) (Opglabbeeks)
- eine oppe lamp sjödde (=Een glaasje drinken) (Steins)
- emes de pin oppe naas zètte (=iemand onder druk zetten) (Heitsers)
- emes oppe puuzak pakke (=iemand op de rug dragen) (Opglabbeeks)
- genóg schrabbers oppe rubbe hebbe (=een reservepotje hebben) (Weerts)
- hae drejtj wi-j d'n haan oppe kêrktore (=iemand die steeds van mening verandert) (Weerts)
- hae heet de sleutel oppe deur gestoôke (=hij is failliet) (Weerts)
- Hae hieëter 'n paar oppe luip (=Hij is gek) (Weerts)
- hae is lânkzaam oppe heuk (=iemand die erg lui of te sloom is) (Weerts)
- hae is oppe klater (=iemand die op stap is) (Weerts)
- Hae is oppe Ruiver (=Hij is in Reuver) (Reuvers)
- hae liktj oppe schâw, hae liktj bove d'aerd (=iemand die opgebaard ligt) (Weerts)
- He klapt oppe letter (=Hij praat algemeen Nederlands) (Koersels)
- He werkt oppe put (=Hij is bovengronds mijnwerker) (Koersels)
- ie is zo lucht as oppe (=hij is licht) (Zeeuws)
- Klein kènjer traeë dich oppe sjòlk, groote op 't hart (=Kleine kinderen kleine zorgen, grote kinderen grote zorgen) (Sittards)
- Mia ha bra ka oppe mèrt (=Mia had het heel koud op de markt) (peers)
- miene bank sjteit oppe zök (=ik heb een lekke band) (Heldens)
- niks oppe tandj höbbe (=niets te eten hebben) (Susters)
- niks oppe tès (=geen geld bij je) (Nunûms)
- oppe boor woeëne (=buiten de stad wonen) (Weerts)
- oppe goed blaedsje ston (=goed aangeschreven staan) (Munsterbilzen - Minsters)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen