Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


Eén spreekwoord bevat `moei`

  1. in een moeilijk parket zitten (=moeilijkheden hebben)

118 betekenissen bevatten `moei`

  1. Het varken is door de buik gestoken (=1: Door krachtig optreden zijn de moeilijkheden uit de weg geruimd. 2: Alles is doorgestoken kaart, opgezet spel, de zaak is vooraf bedisseld)
  2. kromme sprongen maken (=alle moeite doen om zich uit een situatie te redden)
  3. voor niets gaat de zon op (=alles kost geld en/of moeite)
  4. komt men over de hond, dan komt men over de staart (=als de grootste moeilijkheden overwonnen zijn, dan komt de rest vanzelf)
  5. de kat de bel aanbinden (=als eerste een begin maken aan iets moeilijks (een lastige klus of een ingewikkeld gesprek))
  6. het is maar een weet (=als het eenmaal bekend is, is het niet moeilijk meer)
  7. jong te paard, oud te voet (=als je in je jeugd erg wordt verwend, krijg je het later erg moeilijk)
  8. nood breekt wet (=bij moeilijke omstandigheden is er meer geoorloofd)
  9. op je laatste benen lopen (=bijna niet meer kunnen van vermoeidheid)
  10. goede raad is duur (=bijna te moeilijk om raad te kunnen geven)
  11. daar zit 'em de kneep/knoop (=daar zitten de moeilijkheden/problemen)
  12. dat heeft nogal wat voeten in de aarde (=dat is moeilijk te realiseren)
  13. dat is andere peper (=dat is wat anders, dat is moeilijker)
  14. dat is andere tabak (=dat is wat anders, dat is moeilijker)
  15. geen zorgen voor morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=de moeilijkheden van vandaag zijn genoeg om je zorgen over te maken)
  16. andermans boeken zijn duister te lezen (=de toestand of bedoelingen van een ander zijn moeilijk in te schatten)
  17. een harde noot kraken (=dingen bespreken die moeilijk liggen, een moeilijk karwei doen)
  18. iemand links laten liggen (=doen alsof iemand er niet is, niet bemoeien met iemand)
  19. een zware pijp roken (=door eigen schuld in moeilijkheden komen)
  20. een gladde aal (=een gewiekst persoon (moeilijk te vangen))
  21. een klein visje een zoet visje (=een klein voordeel of winstje dat met weinig moeite is verkregen)
  22. de kunst gaat om brood (=een kunstenaar verdient moeizaam z'n brood)
  23. een heet hangijzer (=een moeilijk onderwerp waar veel discussie over bestaat)
  24. de bot kunnen gallen (=een moeilijke taak aankunnen)
  25. een appeltje voor de dorst (=een reserve voor moeilijke tijden die mogelijk nog gaan komen)
  26. een harde knoest heeft een scherpe bijl nodig (=een slechte gewoonte is moeilijk te verdringen)
  27. er komen met krabben en bijten (=er met heel veel moeite komen)
  28. niet over rozen gaan (=er zijn nogal wat moeilijkheden)
  29. zo glad als boter (=erg glad - moeilijk te pakken te krijgen)
  30. op een zuinigje (=erg goedkoop - weinig moeite doend)
  31. vorderen als een luis op een teerton (=erg moeizaam opschieten)
  32. zuur opbreken (=ergens mee in moeilijkheden komen (later))
  33. ergens op zitten zweten (=ergens moeizaam of langdurig aan werken)
  34. niet op mijn weg liggen (=ergens niets mee te maken hebben of niet mee willen bemoeien)
  35. tegen de borst stuiten (=ergens zwaar moeite mee hebben / met tegenzin ondervinden)
  36. Rozen (paarlen) voor de zwijnen werpen (=Geld of moeite verspillen aan iets nutteloos)
  37. iets in zijn holle kies kunnen stoppen (=gezegd van eten : het is de moeite niet, het is te weinig)
  38. Aardewerk is geen paardenwerk. (=Graven of in aarde werken is een vermoeiende bezigheid)
  39. in de knoei zitten (=grote moeilijkheden of zorgen hebben)
  40. een bittere pil slikken (=grote moeite ergens mee hebben)
  41. met een lantaarn te zoeken (=heel zeldzaam , moeilijk te vinden)
  42. het is geen roofgoed (=het heeft veel geld (of moeite) gekost)
  43. wat de vos niet weet, weet de haas ook niet (=het is moeilijk iets te weten als het je nooit verteld is)
  44. met onwillige honden is het slecht hazen vangen (=het is moeilijk om samen te werken met mensen die niet willen)
  45. er is maar een f in het abc (=het juiste midden vinden, is moeilijk)
  46. onkruid vergaat niet (=het slechte is moeilijk uit te roeien)
  47. zoveel hoofden, zoveel zinnen (=iedereen heeft een eigen mening waarbij men moeilijk samen tot een oplossing kan komen)
  48. iemand de genadeslag geven (=iemand die al in grote moeilijkheden zit nog een probleem erbij geven zodat diegene het niet meer aan kan)
  49. een stille in den lande zijn (=iemand die erg stil en ingetogen is of iemand die zich bijna nooit ergens mee bemoeit)
  50. iemand op de pijnbank leggen (=iemand het moeilijk maken en daarmee dwingen iets te doen)

Het dialectenwoordenboek kent 201 spreekwoorden met `moei`

  1. Merenaars: est de moeijtje wieërd (=is het de moeite waard)
  2. Waregems: 't('n) es de moeide (nie) (='t is de moeite (niet) waard)
  3. Bilzers: doë likket kaaf gebonne (=daar zit de moeilijkheid)
  4. Lovendegems: straffen toebak (=een moeillijk karwei*)
  5. Lovendegems: zijne pere afzien (=zware moeilijkheden*)
  6. Leeds: zijne pére zien (=moeilijkheden hebben)
  7. Westfries: ik hei loafe passies (=ik ben moei)
  8. Waregems: ie zit in mijn rop'n (=hij moeit zich met mijn zaken)
  9. Lokers: wolde gulder ulder wulde biesten ne kier binnen oun (=moeit u met uw eigen zaken)
  10. Ninoofs: skiëve komisje (=moeilijke boodschap)
  11. Bilzers: en den aop gelozjiërd zin (=in moeilijkheden zitten)
  12. Waregems: slicht te pote/ te beeêne zijn (=moeizaam stappen)
  13. Westerkwartiers: hij is 't lied'n wel wend (=hij heeft altijd moeilijkheden)
  14. Gents: op ne wier zitten (=in moeilijkheden zitten)
  15. Oudenbosch: deur de kurdons ene (=over de moeilijkheden heen)
  16. Bilzers: De moes dich kènder nauts onderwènne (=moei je niet met kinderkwesties)
  17. Westerkwartiers: 't gijt met hang'n en wurg'n (=het gaat zeer moeizaam)
  18. Zeeuws: aop wat ei j moeiaejongen (=mooi weer spelen)
  19. Geels: Ge hed hier nie in de pap te brokken he moat (=U heeft hier niet te moeien)
  20. Liwwadders: sappele (=de eindjes moeizaam aan elkaar knopen)
  21. Mestreechs: e difficiel werkske (=een moeizaam, precies werkje)
  22. Munsterbilzen - Minsters: n hel nieët kraoke (=een moeilijke periode doormaken)
  23. Sint-Niklaas: een pikketijn (=een moeilijke, bazige vrouw)
  24. Hansbeeks: jis tjei pertang nie contreire (=Het is geen moeilijke mens)
  25. Kortemarks: je sloat er znen oak in (=hij moeit zich in een gesprek)
  26. Oudenbosch: ut lek is wir bove waoter (=de moeilijkheden zijn weer voorbij)
  27. Lichtervelds: je zit mè ze gat vul schuldn (=hij heeft financiële moeilijkheden)
  28. Zeeuws: ie ei zn eihen in n iksternist estoken (=moeilijke kwestie)
  29. Lebbeeks: kakkemoiskes: Ge moeit er zoeëveel kakkemoiskes ni over verkoeëpen (=Je moet er zoveel tierlantijntjes niet over maken)
  30. Munsterbilzen - Minsters: voertgegoejd geld (=verloren moeite)
  31. Munsterbilzen - Minsters: aste dae op ze daok kraajgs- (=dat is een moeilijke vent)
  32. Zeeuws: die ei wezenlik un kopje u din (=man met moeilijke vrouw)
  33. Lebbeeks: broek: 'k moein der nog in zijn (=Antwoord van iemand tegen wie men zegt::)
  34. Lebbeeks: Ei lèit er zijn moeits ni over (=Vrouwenversierder)
  35. Opglabbeeks: doa hubste gein klute mut te make (=daar heb jij je niet mee te moeien)
  36. Tilburgs: as onze paa dè zie, is ut kòt te klèèn (=als vader dat ziet, komen er moeilijkheden van)
  37. Westerkwartiers: hij het wel veur hiedere vuur'n stoan (=hij heeft wel groter moeilijkheden overwonnen)
  38. Westerkwartiers: da's 'n heule opgoave (=dat is een moeilijke opdracht)
  39. Munsterbilzen - Minsters: das zwaure toebak (=dat is een moeilijke opgave)
  40. Brugs: 'n kiend koopn mè nen plastroeng an (=moeilijke bevalling)
  41. Brugs: tis ni moeilik je schiet in un mande zonder hat (=een koppel die geen kinderen krijgt)
  42. Munsterbilzen - Minsters: de boekhaager zoet èn de rats (=de boekhouder zat in moeilijke papieren)
  43. Munsterbilzen - Minsters: moei dich nie ! (=steek er je neus niet tussen)
  44. Lebbeeks: schier: As en aa schier in brand schit, es ze moeilèk te bliss'n (=Als een ouder iemand verliefd wordt, gaat het niet vlug voorbij)
  45. Munsterbilzen - Minsters: a (=dat is een moeilijke vent)
  46. Sint-Niklaas: steeg van afgoan (=moeilijke stoelgang)
  47. Leefdaals: 't es van moeites (=moeten huwen omwille van zwangerschap)
  48. Hoeilaart: Dweize achterwetsouver (=moeilijk mens)
  49. Veurns: ze droai nie vieng'n (=zich moeilijk aanpassen, moeilijk wennen)
  50. Deinzes: 't ee geen avanse (='t Is de moeite niet)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen