Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


26 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `mijn`

  1. aan mijn lijf geen polonaise (=van mij moet je afblijven)
  2. aan mijn nooit niet (=geen sprake van)
  3. als het melk regent, staan mijn schotels omgekeerd (=wanneer ergens iets voordeligs te verkrijgen valt, loop ik het steevast mis)
  4. dat gaat mijn pet te boven (=daar begrijp ik niets van)
  5. dat is een ver-van-mijn-bed-show (=dat is iets waar ik me helemaal niet mee bezighoud; dat is iets dat op grote afstand van hier gebeurt)
  6. dat kan ik wel in mijn holle kies stoppen (=dat is wel een heel klein beetje)
  7. dat raakt mijn koude kleren niet (=ergens niets mee te maken hebben en zich niet voor interesseren)
  8. dat zal mijn klomp niet roesten (=ik maak me er niet druk om; het kan mij niet schelen)
  9. de mijn is verkeerd gesprongen (=ongeveer als: wie een put graaft voor een ander, valt er zelf in)
  10. doe wel naar mijn woorden, maar ziet niet naar mijn daden (=ik geef raad waar je je het beste aan kan houden, maar ik doe het zelf niet)
  11. geef mijn fiets terug (=grapje om Duitsers te wijzen op de Tweede Wereldoorlog, toen er veel fietsen geconfisqueerd werden)
  12. geen haar op mijn hoofd die er aan denkt (=ik wil hiermee niet akkoord gaan)
  13. het mijn en het dijn (=het mijne en het uwe)
  14. het verschil tussen mijn en dijn niet kennen (=stelen)
  15. hij zal mijn koffer niet kruien (=hem zal ik mijn zaken niet toevertrouwen)
  16. hoeren en dieven, met geld zijn zij mijn gelieven (=met geld krijg je vrienden)
  17. mijn hoofd staat er niet naar (=ik kan me er niet op concentreren)
  18. mijn maag jeukt (=ik heb honger)
  19. mijn naam is haas (=ik weet nergens van en wil er niks mee te maken hebben!)
  20. mijn verstand staat er bij stil (=dat begrijp ik helemaal niet)
  21. mijn vingers jeuken (=ik heb zin om eraan te beginnen)
  22. niet op mijn weg liggen (=ergens niets mee te maken hebben of niet mee willen bemoeien)
  23. nu breekt mijn klomp (=van verbazing niet meer weten wat te zeggen)
  24. over mijn lijk (=ik zal mij daar met alle kracht tegen verzetten)
  25. precies in mijn straatje zijn (=me precies goed uitkomen op het juiste moment)
  26. wat heb ik nou aan mijn fiets hangen? (=wat gebeurt er nu voor iets raars?)

6 betekenissen bevatten `mijn`

  1. na mij de zondvloed (=dat is een probleem dat zich pas voordoet als ik er niet meer ben - het zal mijn tijd wel duren)
  2. hij zal mijn koffer niet kruien (=hem zal ik mijn zaken niet toevertrouwen)
  3. wie wat bewaart, die heeft wat (=het bewaren van zaken kan op lange termijn voordelig blijken te zijn)
  4. het mijn en het dijn (=het mijne en het uwe)
  5. kom ik er vandaag niet dan kom ik er morgen (=ik doe het wel op mijn gemak)
  6. om de dooie dood niet (=volstrekt niet, in geen geval, al kost het me mijn leven)

Het dialectenwoordenboek kent 425 spreekwoorden met `mijn`

  1. Diems: Nee, gi-j! (=Deze opmerking heeft, mijns inziens, meer betrekking op uzelf.)
  2. Zeels: uit mijne gerlap (=uit mijne weg)
  3. Steins: sjafte / bottere (mijnwerkersjargon) (=stempel)
  4. Waregems: mee mijn'n niejoar goan (=op nieuwjaarsbezoek gaan (enkv))
  5. Merenaars: gotj uit mijne skietlap (=ga uit mijn weg)
  6. Bilzers: haat zen eege vür de gek, kloetemezjaur (=mij vang je daar niet mee, mijnheerke)
  7. Waregems: 'k é der mijn'n des/deun in (=ik heb binnenpretjes - leedvermaak)
  8. Sint-Niklaas: de mijnen (=die van mij)
  9. Hedels: Dè's de mijnes (=Die is van mij)
  10. Waregems: mijn'n eezle kan da nie trekk'n (=dat is te veel gevraagd)
  11. Gents: k goa noar mijn treeze, kruip in mijne nest (=ik ga naar mijn bed)
  12. Lovendegems: 'k ben nuh mijnen droad kwijt (=het verband niet meer zien)
  13. Erps: ik kruip in mijnen nest (=ik ga naar m'n bed)
  14. Deinzes: dedie zuu uuk nog nen kier op mijn'n uil meug'n dansen (=dat vind ik een aantrekkelijke vrouw)
  15. Vejels: Da ligt op mijnen teen (=Het ligt in de weg)
  16. Wetters: de komplementen van mijnen eetzak (=een grote boer laten)
  17. Diesters: doa wil ik ook eens met mijne stek in keuteren (=daar wil ik met mijn stok in peuteren)
  18. Hams: Uit mijne gerlap ! (=Uit mijn weg !)
  19. Zeels: ge kum mijne zak obblåezen (=iemand verwensen)
  20. Zeels: mijne zak afklopp'm (=stoppen met iets te doen)
  21. Oudenbosch: ge kun mijne zak opblaoze (=loop naar de hel)
  22. Zottegems: ij/ze zit in mijn'n neuze (=hij/zij heeft het bij ij verkorven)
  23. Aspers: da kan mijnen bruinen nie trekken (=dat kan ik niet betalen)
  24. Aspers: der zit iets in mijnen neuze (=er zit me iets dwars)
  25. Sint-Katelijne-Waver: Dat kan mijnen bruine niet trekken (=Dat kan ik niet betalen)
  26. Sallands: ist oente of miente (=is 't de jouwe of de mijne)
  27. Merenaars: a tege mijne gillée trekken (=iemand omarmen)
  28. Sint-Niklaas: amai mijne frak (=niet te geloven)
  29. Gents: oa mijn tante kluuten, t' was mijne nonkel (=had mijn tante testikkels, dan was het mijn nonkel)
  30. Gents: t wirkt op mijne tien (=het werkt op mijn zenuwen)
  31. Zottegems: de schunste biste van mijnen stal (=het beste aanbod)
  32. Moes: uit mijnen gerlap (=uit de weg)
  33. Oudenbosch: ut zal mijne tijd wel dure (=ik geloof het wel)
  34. Bosch: gij makt mijne pis nie lauw (=je maakt me niet bang)
  35. Munsterbilzen - Minsters: hae kos zen haan wol ès verbranne (=de mijnwerker haalde de hete kolen uit het vuur)
  36. Gents: kus mijn uure, luup noar de fuure, ge keun mijne zak opbloaze: 't soepapken hangt er an (=bekijk het maar, doe het zelf)
  37. Waregems: peide gij da 't geld ip mijne rugge groeigt (=denk je dat ik geld in overvloed heb)
  38. Gents: kloate kik nie mee mein kluute rammele,/spele, kloate kik nie op mijne kop schaate (=ik laat me niet beduvelen)
  39. Lokers: oe langer dak getrout zijn, hoe liever dak mijne ond zie (=iemand die al een tijdje gehuwd is)
  40. Zottegems: ei eet de schunste bieste van mijnen stal (=het beste gekozen)
  41. Gents: tes noar mijnen tand / da des maanen tik (=ik lust het graag)
  42. Wetters: uit mijne schietlap!! (=je staat in de weg)
  43. Zeels: got uit mijne gerlap (=ga eens opzij)
  44. Lokers: As, as. As mijn tante klueten g'ad ad tèn waust mijne nonkel (=Als, als. Als mijn tante kloten had gehad dan was zij mijn oom)
  45. Zeeuws: di mo k er of plumen van en (=daar moet ik het mijne van weten)
  46. Lokers: Ge keud ier allemoal mijne zak opbloazen (=Jullie kunnen mijn zak opblazen (ik doe niet meer mee))
  47. Erps: khem ziër o mijne kop (='k heb hoofdpijn)
  48. Geels: ik goan sloape, ik kroawep in mijne nest (=ik ga slapen)
  49. Hams: Kemmet oan mijne schreper (=Ik heb het zitten)
  50. Antwerps: amaai mijne frak (=niet te geloven)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen