Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


147 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `hij`

  1. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)
  2. achter de wolken schijnt de zon (=alle nare dingen zijn tijdelijk en daarna wordt het beter)
  3. als David zijn volk telde verloor hij de strijd (=tel de winst pas uit bij het einde van de strijd)
  4. als de maan vol is schijnt ze overal (=als iemand gelukkig is, kan iedereen dat zien)
  5. als de zon een mestvaalt beschijnt, dan verspreidt deze een onaangename geur (=als je met goede wil ergens te veel aandacht aan besteedt kan het verkeerd opgevat worden. / Met alle goede wil van de wereld kun je sommige zaken nog niet verbeteren)
  6. als je hem een vinger geeft, neemt hij de hele hand (=als je iemand een beetje helpt, wil diegene altijd je hulp)
  7. als je je pet ertegenaan gooit dan blijft hij hangen (=dat stukje verfwerk is niet erg vlak uitgevoerd)
  8. april doet wat hij wil (=april geeft onvoorspelbaar weer)
  9. Dat hangt als een schijthuis boven de gracht (=Dat is overduidelijk)
  10. dat kan hij in zijn zak steken (=dat is raak - die zit!)
  11. de druiven zijn zuur (zei de vos maar hij kon er niet bij) (=van iets dat men niet krijgen kan, zeggen dat men het niet wil)
  12. de huid van de beer niet verkopen voor hij geschoten is (=je moet niet al willen genieten van wat men nog niet verworven heeft)
  13. de zeilen hijsen (=opstaan, vertrekken)
  14. de zon in het water kunnen zien schijnen (=kunnen verdragen dat een ander ook iets krijgt)
  15. de zon niet in het water kunnen zien schijnen (=jaloers zijn, iets niet kunnen verdragen)
  16. De zon niet in het water kunnen zien schijnen (=Afgunst hebben (jaloers zijn) op een ander)
  17. die staat ziet toe dat hij niet valle (=mensen die alles denken te weten of kunnen, moeten zelf maar oppassen voor fouten en problemen)
  18. een mens lijdt dikwijls het meest door het lijden dat hij vreest (=(doch dat nooit op zal dagen. Zo heeft men meer te dragen, dan God te dragen geeft. Nic. Beets))
  19. Elk zijn meug, zei de boer en hij at paardenkeutels in plaats van vijgen. (=Boeren zijn koppige mensen die hun eigen zin doen)
  20. geef een man een vis dan heeft hij die dag te eten (=je kunt iemand beter leren vissen dan heeft hij z`n leven lang vis te eten)
  21. geen zo kleine sant of hij wil zijn kaars hebben (=ook de mindere machten moet men gunstig stemmen)
  22. Heeft de duivel 't paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=Ben je eenmaal in handen van slechte mensen gevallen, dan verlies je alles.)
  23. Heeft de duivel het paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=Ben je eenmaal in de macht van slechte mensen, dan wordt het alleen maar erger)
  24. hij begreep er geen fluit van (=hij begreep er niets van)
  25. hij deed mee voor Piet Snot (=hij deed mee zonder toegevoegde waarde, en zonder erkenning)
  26. hij droogt uit als een Harderwijker (=iemand die alsmaar vervelender wordt)
  27. hij droomt van schol hij eet graag platvis (=hij verwacht te veel)
  28. hij gaat de visjes voeren (=hij is zeeziek en moet overgeven)
  29. hij gedraagt zich als een baars (=hij is zeer onhandig)
  30. hij geeft er niet om wiens huis in brand staat, als hij zich maar aan de gloed kan warmen (=Hij doet overal voordeel mee, ongeacht de gevolgen voor anderen)
  31. hij heeft aardappelbloed (=Hij ziet er ongezond uit)
  32. hij heeft bot gegeten (=hij is dom geboren en dat zal hij wel blijven ook)
  33. hij heeft de meeste aardappelen al gegeten (=Hij heeft al veel meegemaakt, hij leeft al lang)
  34. hij heeft een appeltje met hem te schillen (=iets met iemand te bespreken hebben naar aanleiding van iets wat men die ander verwijt)
  35. hij heeft een haaienmaag (=hij kan alles verorberen)
  36. hij heeft een klap van de molen gekregen (=hij is niet goed meer bij zijn verstand)
  37. hij heeft een paling (snoek) gevangen (=iemand die per ongeluk in het water is gevallen)
  38. hij heeft een schollekop (vissenkop) (=hij heeft een boeventronie)
  39. hij heeft een vinger in de pap (=hij heeft invloed)
  40. hij heeft er de hand in gehad (=hij heeft er aan meegewerkt met raad of daad)
  41. hij heeft het gelijk van de vismarkt (=iemand die (altijd) probeert men een grote mond zijn gelijk te krijgen)
  42. hij heeft het probleem onder de knie (=het probleem is opgelost)
  43. hij heeft iets in de melk te brokkelen (=hij heeft invloed)
  44. hij heeft met een zilveren (of gouden) hengel gevist (=die heeft vis gekocht in plaats van gevangen. Ook: met bedrog zijn doel bereiken)
  45. hij heeft net zoveel geld in de buidel als een jood spek in de kast (=hij is straatarm)
  46. hij heeft paardenvlees gegeten. (=Hij is van nature onrustig)
  47. hij heeft peper in zijn achterwerk (=hij heeft een hoog tempo)
  48. hij heeft schelvisogen hij kijkt als een schelvis (=hij kijkt je lodderig, dom of onbetrouwbaar aan)
  49. hij heeft weinig ondernemingszin (=schrik hebben voor het onbekende)
  50. hij heeft zijn lesje wel geleerd (=die fout maakt hij niet weer)

177 betekenissen bevatten `hij`

  1. wie appelen vaart, die appelen eet (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van)
  2. wat het huis verliest, brengt het weer terug (=als men iets in huis zoek maakt, komt het meestal vanzelf weer tevoorschijn)
  3. zitten alsof men een luis in zijn oor heeft (=alsof hij door zijn geweten beschuldigd wordt)
  4. dat ligt hem in zijn mond bestorven (=daar spreekt hij veel over)
  5. dat zal hem geen windeieren hebben gelegd (=daar zal hij wel veel geld mee verdiend hebben)
  6. die haring braadt niet (=dat (meestal geniepige) plannetje schijnt niet te lukken)
  7. dat was Grieks voor hem (=dat begreep hij niet)
  8. dat gaapt zo wijd als een oven (=dat is hoogst onwaarschijnlijk)
  9. dat gaapt als een oven (=dat is onwaarschijnlijk)
  10. dat is de aard van het beestje (=dat is typisch iets voor die persoon; zo zit hij of zij nu eenmaal in elkaar)
  11. dat staat niet in zijn woordenboek (=dat kent hij niet, daar doet hij niet aan mee, heeft hij nog nooit van gehoord)
  12. hij heeft zijn lesje wel geleerd (=die fout maakt hij niet weer)
  13. het is altijd vet op een andermans schotel (=een ander heeft het schijnbaar altijd beter)
  14. iets op een procrustesbed leggen (=een regeling zo toepassen dat hij er voordeel van heeft)
  15. Een pilaarbijter (=Een zeer schijnheilig / hypocriet persoon)
  16. geen poot aan de grond kunnen krijgen (=geen schijn van kans blijken te hebben)
  17. het kainsmerk aan zijn voorhoofd dragen (=het is op zijn gezicht te lezen dat hij een schurk is)
  18. wat baten kaars en bril als de uil niet zien en lezen wil (=het is vruchteloos iemand te willen voorlichten als hij dat niet wil)
  19. iets naar zijn hand zetten (=het precies (laten) doen zoals hij wil)
  20. het is kermis in de hel (=het regent terwijl de zon schijnt)
  21. hij begreep er geen fluit van (=hij begreep er niets van)
  22. hij ligt er bij als een blei (=hij beweegt niet (meer))
  23. hij praat visserslatijn (=hij blaast zijn prestaties op)
  24. hij deed mee voor Piet Snot (=hij deed mee zonder toegevoegde waarde, en zonder erkenning)
  25. Hij geeft er niet om wiens huis in brand staat, als hij zich maar aan de gloed kan warmen (=hij doet overal voordeel mee, ongeacht de gevolgen voor anderen)
  26. hij is zo gesloten als een oester (=hij doet zijn mond niet open en kan een geheim bewaren)
  27. geen water is hem te diep (=hij durft alles te ondernemen)
  28. het water is veel te diep (=hij durft het niet aan)
  29. zoals de wind waait, waait zijn jasje (=hij gaat met de heersende mening mee of telkens van mening veranderen afhankelijk van de mensen om iemand heen)
  30. het geld brandt hem in de zak (=hij geeft zijn geld graag en gemakkelijk uit)
  31. zijn hoed zit altijd op zijn hoofd (=hij groet nooit iemand)
  32. hij stond erbij voor Jan met de korte achternaam (=hij had geen zinvolle activiteit)
  33. Hij heeft de meeste aardappelen al gegeten (=hij heeft al veel meegemaakt, hij leeft al lang)
  34. er is tuk aan de hengel (=hij heeft beet (krijgt zijn zin))
  35. hij heeft een schollekop (vissenkop) (=hij heeft een boeventronie)
  36. hij heeft peper in zijn achterwerk (=hij heeft een hoog tempo)
  37. hij heeft er de hand in gehad (=hij heeft er aan meegewerkt met raad of daad)
  38. het water loopt hem in de mond (=hij heeft er heel veel trek in)
  39. het kwartje is gevallen (=hij heeft het begrepen)
  40. hij is in Rome geweest, maar heeft de Paus gemist (=hij heeft het belangrijkste laten schieten)
  41. hij heeft iets in de melk te brokkelen (=hij heeft invloed)
  42. hij heeft een vinger in de pap (=hij heeft invloed)
  43. hij is over het paard getild (=hij heeft te veel eigendunk of heeft een naar karakter, doordat hij zoveel geprezen of verwend is)
  44. het lot valt altijd op Jonas (=hij heeft vaak pech)
  45. zijn schip is binnen (=hij heeft zijn fortuin gemaakt)
  46. hij is van zijn paard gevallen (=hij heeft zijn positie verloren)
  47. Hij is van zijn paard gevallen. (=hij heeft zijn positie verloren)
  48. hij is lelijk ten haring gevaren (=hij heeft zwaar pech gehad)
  49. Hij is voor de fret. (=hij houdt van lekker eten.)
  50. Hij is een smulpaap. (=hij houdt van lekker eten.)

Het dialectenwoordenboek kent 2821 spreekwoorden met `hij`

  1. Tilburgs: hè hèègt van de muugeghèt (=hij hijgt van vermoeidheid)
  2. Bergs: me ijse de zeiele (=we hijsen de zeilen)
  3. Lochristis: 't schuip es de preude af (=hij is uitgeteld/hijkan niet meer)
  4. Munsterbilzen - Minsters: dat éssem krek (=dat is precies hijzelf)
  5. Leopoldsburgs: Zen keis is ut / hij's kapot (=hij is dood)
  6. Texels: Hee dréégt 't hort wot hóóg (=hij is erg trots)
  7. Betuws: hijs luppes (=hij is komen lopen)
  8. Westfries: Hai heb 't niet an z'n geefklier (=hij is niet vrijgevig)
  9. Diesters: dieën hijt et ok ni brieëd (=hij heeft weinig geld)
  10. Luyksgestels: ut is hijt int kot (=Het is heet in huis)
  11. Nijlens: da hijtem maa gelapt (=dat heeft hij mij aangedaan)
  12. Londerzeels: hije es oemhoog gevalle (=hij heeft het hoog in zijn bol)
  13. Brakels (gld): hij's nie wijer gekome es de kaaiepoal (=hij is niet verder gekomen dan tot de keienpaal)
  14. Londerzeels: hije ei niks te retteketetten thuies (=hij heeft niets te zggen thuis)
  15. Westerkwartiers: hij's baang veur zien eig'n hachje (=hij vreest voor zijn eigen lichaam)
  16. Diesters: dieë hijt er gin oeëre noar (=hij wil er niet van weten)
  17. Brakels (gld): hij's plaanke oan droage in Dordt (=hij is planken aan het dragen in Dordt)
  18. Westerkwartiers: nou hij'j de popp'm an't daanz'n (=nu zijn de rapen gaar)
  19. Diesters: Dieë hijt ginne nagel oem ze gat te krabbe; dieë zit oep druuëg zoad, dieë moet krabbe oem er te koome (=hij heeft geen geld)
  20. Westerkwartiers: hij is sjeesd (=hij is gezakt)
  21. Westerkwartiers: hij is muuskestil (=hij is doodstil)
  22. Poperings: nin - nièn (=nee hij)
  23. Leefdaals: ai teit (=hij durft)
  24. Poperings: en ed ie (=hij heeft)
  25. Harelbeeks: 'T es pynantie (=hij is zat)
  26. Opglabbeeks: dè begaait tem (=hij overdrijft)
  27. Antwerps: azeiwerriswa (=hij praat nonsens)
  28. Buggenhouts: heis oem ziep (=hij is dood)
  29. Meppels: hef a dikke borst (=hij is dronken)
  30. Lichtervelds: je goat ard of (=hij is geconstipeerd)
  31. Poperings: tschoap is de preute of (=hij is versleten)
  32. Zottegems: ij es schampavie (=hij is weg)
  33. Sallands: hi-j verköch (=hij verkoopt)
  34. Sint-Niklaas: jaat (=ja hij)
  35. kortemarks: jis bescheetn (=hij is bedrogen)
  36. Gents: hij es foutu (=hij is geruineerd)
  37. Westerkwartiers: hij is onnerweeg'ns (=hij is onderweg)
  38. Overpelts: boesie? dosie! (=waar is hij? daar is hij!)
  39. Moes: ei geboard va krommen oas (=hij doet of hij van niets weet)
  40. Diesters: dië slopt worrem staet (=hij slaapt waar hij staat)
  41. Lierops: hij hi ut getroffe (=hij heeft geboft)
  42. Wetters: hij zit knurre (=hij heeft geen geld meer)
  43. Valkenswaards: hij hed me afgenaaid. (=hij heeft me afgeslagen.)
  44. Westerkwartiers: hij het veul aspiroaties (=hij heeft veel aspiraties)
  45. Overpelts: hij is al de riêp aaf (=hij is al weg)
  46. Kaatsheuvels: hij hèèget zaank op ....... (=hij is helemaal gefocused op ......)
  47. Wetters: hij es de cigare (=hij is het slachoffer)
  48. Arnhems: hij het het er de deur lopen (=hij is in de war)
  49. Westerkwartiers: hij is ok niet van guster !! (=hij is ook niet dom !!)
  50. Westerkwartiers: hij liep te hinkelepink'n (=hij liep nogal moeilijk)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen