Let op: Spelling van 1858 voorkómen, beletten; iemand van iets verwittigen. Preventie, het voorkómen, de voorkóming, het beletten; vooroordeel, vooringenomenheid; waarschuwende kennisgeving. Preventief, voorkómend, verhinderend
[Let op: mogelijk oud Nederlands van 1400-1800] voorkomen