de brug

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  [brʏx]
Verbuigingen:  brug|gen (meerv.)

1) verbinding in een weg over een water, andere weg, dal
Voorbeelden:  `een ophaalbrug bij een kasteel`,
`een brug over een kloof`,
`een loopbrug tussen twee gebouwen`
een brug slaan tussen (verschillende partijen of standpunten)  (proberen (ze) tot elkaar te brengen)
over de brug komen  (toch doen wat je eerst niet wilde) `Toen niemand wilde betalen, kwam ik maar over de brug.`

2) stukje kunstgebit dat vastzit aan de aangrenzende tanden of kiezen
Voorbeeld:  `Deze verzekering vergoedt maximaal één brug en twee kronen.`

3) gymnastiektoestel met twee ronde horizontale balken
Voorbeeld:  `brug met ongelijke leggers`

4) cabine van waaruit een schip wordt bestuurd
Voorbeeld:  `De kapitein en stuurman staan op de brug.`

© Kernerman Dictionaries.

Spreekwoorden en zegswijzen
• over de brug komen (=veel geld moeten betalen)
• je moet geen 'hei' roepen voordat je de brug over bent. (=vreugde over een goede afloop is pas toepasselijk als er niets meer verkeerd kan gaan.)
• dat is een brug te ver. (=dat is te hoog gegrepen.)
Naar de spreekwoorden

Taaladvies
  1. Brug: (de - maken) Is de brug maken correct?
  2. Brug: (de - was dicht / open) Als bedoeld wordt dat de weggebruiker de brug niet over kon, is de juiste uitdrukking dan De brug was open of De brug was dicht?


25 definities op Encyclo
  1. De brug van een schip. Het is de benaming voor de plaats van waaruit gestuurd, gecommandeerd en genavigeerd wordt. Meestal de hoogste plek in de opbouw en bij zeevaart va...
  2. verbinding over een rivier vb: over de brug bereik ik de overkant van het water een brug slaan tussen twee volken [ervoor zorgen dat ze elkaar begrijpen] hij moet over de...
  3. Een brug is aangebracht om over een rivier, kanaal, weg, rijbaan, spoorweg of ander obstakel heen te kunnen rijden. Een beweegbare brug wordt aangekondigd met bord J15. V...
  4. 1. Een brug is een beweegbare, een vaste of een drijvende verbinding voor het verkeer tussen twee punten, die door water of anderszins gescheiden zijn (Van Dale). Een bru...
  5. verandering, overgang, communicatie.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met brug:
brugdagbrugfunctiesBruggelingBruggelingenbruggenbrugklasBrugmanbrugpensioenbrugrestaurantBrugsBrugsebrugsmurfbrugwachterbrugwachters

Deze woorden eindigen op brug:
ezelsbrugloopbrugophaalbrugoverbrugboogbrugkraanbrugkantelbrughefbrugdraaibrugoorgatbrugpontbrugrolbasculebrugbasculebrugtafelbrugrolbrugvalbrugpassagiersbrugvlotbrugfietsbrugaviobrug

Herkomst volgens etymologiebank.nl
brug (verbinding over diepte)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `brug` kennen.