voren

bijwoord
Uitspraak:  [ˈvorə(n)]

1)
naar voren  (naar het voorste gedeelte of vooruit) `Willen jullie allemaal een stapje naar voren doen?` Synoniem: naar voor Antoniem: naar achteren

2)
van voren  (aan of vanaf de voorkant) `De rok is van voren langer dan van achteren.` Synoniem: vooraan Antoniem: van achteren

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
ploegvoren van voren voorn van achteren) (antoniem)

Spreekwoorden en zegswijzen
• van voren niet weten of men van achteren leeft (=erg dom zijn / erg ziek zijn)
• ogen van achteren en van voren hebben (=alles in de gaten kunnen houden)
• liever van achteren zien dan van voren (=niet goed kunnen verdragen)
• hij weet van voren niet dat hij van achteren leeft (=hij is erg dom)
• de wind van voren krijgen (=kritiek krijgen, direct gezegd worden wat er mis is)
Naar de spreekwoorden

Taaladvies
Is het naar voor treden of naar voren treden? Zie Naar voor / naar voren

4 definities op Encyclo
  • in de richting van de voorkant vb: wilt u naar voren komen? in de brief komt de oorzaak naar voren [wordt de oorzaak duidelijk] van voren af aan [vanaf het begin] iets na...
  • Woord uit de oude stadsrekeningen van Doesburg; (aan)voeren
  • •"van ~": aan of van de voorzijde. •"naar ~" in voorwaartse richting
  • 1) Blankvoorn 2) Ploegvoren 3) Vis 4) Zoetwatervis
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met voren:
    vorenpakkervorensvorenstaand

    Deze woorden eindigen op voren:
    achterstevorencarnivorenherbivoreninsectivorenivorenomnivorentevorenvan tevoren

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    1. voren (in van voren, naar voren)
    2. voren = voorn (vis)