vooruitblikken

werkw.
Uitspraak:  [vor'œytblɪkə(n)]
Vervoegingen:  blikte vooruit (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft vooruitgeblikt (volt.deelw.)

nadenken over iets dat nog moet komen
Voorbeeld:  `vooruitblikken en je verheugen op je reis naar Zuid-Afrika`
Antoniem:  terugblikken
Synoniem:  vooruitzien

© Kernerman Dictionaries.