verluiden

werkw.
Uitspraak:  [vər'lœydə(n)]
Vervoegingen:  verluidde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft verluid (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

horen verluiden  (vagelijk vernemen) `Ik heb horen verluiden dat je gaat trouwen, klopt dat?`
naar verluidt  (volgens horen zeggen) `Naar verluidt wordt hij de nieuwe directeur.`

© Kernerman Dictionaries.

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 94% van de Nederlanders en 86% van de Vlamingen het woord `verluiden`.