Spreekwoorden: (1914) Van wanten weten, d.w.z. de zaak verstaan, volkomen op de hoogte zijn, ‘van vinken weten’ (Harrebomée II, 383 a); ook: op de hoogte zijn van iets, ingewijd zijn in de geheimen. De uitdr. wordt aangetroffen bij Harreb. I, 444: Hij weet van wanten, hij doet een kousen-winkel, ...
Van wanten weten is van aanpakken weten. [basiswoordenlijst groep 7]