uithuwelijken

werkw.
Uitspraak:  ['œythywələkə(n)]
Vervoegingen:  huwelijkte uit (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft uitgehuwelijkt (volt.deelw.)

(iemand) dwingen te trouwen met iemand die hij of zij niet zelf heeft uitgekozen
Voorbeeld:  `Zij is op haar twaalfde jaar door haar ouders uitgehuwelijkt aan een man die ze niet kent.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
uithuwen wegschenken