uitchecken

werkw.
Afbreekpatroon:  'uit - chec - ken
Herkomst:  «Engels
Vervoegingen:  checkte uit (verl.tijd )
Vervoegingen:  uitgecheckt (volt.deelw.)

zich afmelden, zich uitschrijven (bij de balie van een hotel bijv.)
Voorbeeld:  `na een prettige vakantie checkten ze uit bij de balie van het appartementencomplex`


3 definities op Encyclo
  1. Als in ‘we moeten Jimmy Woo toch echt eens uitchecken’
  2. Zich melden aan de balie van een logiesaccommodatie om bijv. de sleutel af te geven of de rekening te voldoen, alvorens te vertrekken. Zie ook check out
  3. 1) Een hotel verlaten
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 98% van de Vlamingen het woord `uitchecken`.