de tros

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [trɔs]
Verbuigingen:  tros|sen (meerv.)

1) stel bloemen of vruchten die met kleine steeltjes aan één grote steel groeien
Voorbeelden:  `een tros druiven`,
`een tros bananen`

2) kabel waarmee je een schip aan de kade vastlegt
Voorbeeld:  `de trossen losgooien`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
cluster kabel meertouw touw

22 definities op Encyclo
  1. Als een touw een omtrek heeft van niet meer dan 4cm spreekt men van een lijn. Bij een dikkere lijn spreekt men van een tros en bij een driestrengstros van een kabel. Zulk...
  2. stel bloemen of vruchten die met kleine steeltjes aan een hoofdsteel vast zitten vb: ik heb een heerlijke tros druiven gekocht dik gevlochten touw vb: als het schip vertr...
  3. groeiwijze van de druif
  4. Let op: Spelling van 1858 een zoon van Erichthonius, vader van Ganymedes en koning van Troje, dat van hem zijnen naam ontleende
  5. Let op: Spelling van 1858 de zware bagaadje van een leger en de daartoe behoorende personen, pak- en rijknechts, marketenters, zoetelaars, enz. Trossen, hooi en stroo op ...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met tros:
trosgiersttrossentrosttrostetrosten

Deze woorden eindigen op tros:
albatros

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. tros (bundel vruchten)
  2. tros (legertros)
  3. tros (meertouw)


Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 97% van de Vlamingen het woord `tros`.