trippelen

werkw.
Uitspraak:  ['trɪpələ(n)]
Vervoegingen:  trippelde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft getrippeld (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

met kleine, lichte en snelle pasjes lopen
Voorbeelden:  `Ze trippelt op haar hoge hakjes door de straat.`,
`het trippelende paard van Sinterklaas`
Synoniem:  tippelen (1)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
dribbelen trippen

3 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: ow. [gelijkvloeiend] (ik trippelde, heb getrippeld), eenigzins kreupel gaan; met kleine treden -, stapje voor stapje gaan, dribbelen. ...
  2. 1) Dribbelen 2) Kleine stapjes maken 3) Met kleine pasjes lopen 4) Met vlugge pasjes lopen 5) Trippen
  3. met vlugge pasjes gaan Jaar van herkomst: 1562 (WNT )
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
trippelen (met vlugge pasjes lopen)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 94% van de Nederlanders en 95% van de Vlamingen het woord `trippelen`.