traumatiseren

werkw.
Uitspraak:  [trɑumati'zerə(n)]
Vervoegingen:  traumatiseerde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft getraumatiseerd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

psychisch ernstig schokken of een trauma (2) veroorzaken
Voorbeelden:  `De eerste schooldag kan een kleuter traumatiseren.`,
`een stalker die zijn slachtoffer traumatiseert`

© Kernerman Dictionaries.

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `traumatiseren` kennen.