I toen

bijwoord
Uitspraak:  [tun]

1) op dat tijdstip
Voorbeeld:  `Toen had je nog geen mobiele telefoon.`
Synoniemen:  destijds, indertijd

2) daarna
Voorbeeld:  `Eerst hebben we een borrel gedronken, toen zijn we gaan eten en toen zijn we naar de film gegaan.`


II toen

conjunction
Uitspraak:  [tun]

op het moment dat
Voorbeeld:  `Ik ging net de deur uit toen hij arriveerde.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
destijds indertijd toenmaals toentertijd

Spreekwoorden en zegswijzen
• vroeger, toen kraaiden de hanen nog. Tegenwoordig gapen ze alleen nog maar, zei de dove. (=veranderingen in een situatie zijn vaak niet feitelijk, maar een subjectieve beleving.)
Naar de spreekwoorden

Taaladvies
Toen / als / wanneer: (+ verleden tijd) Welke zin is correct: Toen hij ziek werd, ging hij naar huis, Als hij ziek werd, ging hij naar huis of Wanneer hij ziek werd, ging hij naar huis?

8 definities op Encyclo
  1. trommel van de Maya uit Mexico en Guatemala, vervaardigd uit een holle boomstam
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bijwoord] ten dien tijde, op -, in dien tijd of dag, in dat jaar, in die week of maand. ~, vw. wanneer.
  3. na dat andere vb: eerst trok ik mijn shirt aan en toen mijn trui Synoniemen: dan verder vervolgens daarna voorts nadien op dat ogenblik, in die tijd vb: toen droegen we k...
  4. verwijst naar een tijdstip in het verleden vb: vroeger, toen we nog vaak konden schaatsen
  5. •op het tijdstip dat.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met toen:
toenaderingtoenametoenamentoenamestoendertijdtoendratoendra'stoenementoenmaalstoenmaligtoentertijd

Deze woorden eindigen op toen:
katoenlatoenpoetoenamarilkatoen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
toen (op dat ogenblik ; in de tijd dat, terwijl)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `toen` kennen.