tempeesten

werkw.
Vervoegingen:  tempeestte (verl.tijd )
Vervoegingen:  heeft getempeest (volt.deelw.)

stormen, onweren. figuurlijk: razen of tieren (van woede)
Voorbeelden:  `Het onweer tempeestte door het bos en knakte honderden bomen af.`,
`Hij tempeestte door het huis als een razende stier.`


1 definitie op Encyclo
  1. [Belgisch Nederlands] stormen
Toon uitgebreidere definities