• zijn land ligt in zijn schoenen (=hij is een grote opschepper) • wie de schoen past trekke hem aan (=wie schuldig is mag zich aangesproken voelen) • weten waar de schoen wringt (=weten waar het probleem zit) • vast in je schoenen staan (=erg zeker zijn) • van zijn mast een schoenpin maken (=iets goeds bederven om iets van weinig waarde te bekomen) Toon alle 35 spreekwoorden die schoe bevatten