• zo koud als een kaalgeschoren schaap (=heel erg koud) • zijn land ligt in zijn schoenen (=hij is een grote opschepper) • ze is zo plat als een botje (scholletje) (=ze heeft bijna geen borsten) • wie met de duivel uit één schotel wil eten, moet een lange lepel hebben. (=het valt niet mee iemand te bedriegen, die er zelf bedrieglijke parktijken op na houdt.) • wie een varken is moet in het schot (=wie voor het ongeluk geboren is, hoeft geen geluk te verwachten) Toon alle 108 spreekwoorden die scho bevatten