de pruik

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  [prœyk]
Verbuigingen:  pruik|en (meerv.)

haardos die je als een hoofddeksel opzet
Voorbeeld:  `toneelpruik`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
haardos haarstukje

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn pruik staat scheef. (=hij is gehumeurd)
Naar de spreekwoorden

6 definities op Encyclo
  1. dun kapje met haar vb: de kale man draagt een pruik de bokkenpruik op hebben [boos of chagrijnig zijn] zijn pruik staat scheef [hij is uit zijn humeur]
  2. Haarwerk dat over het hele hoofd geplaatst wordt bij kaalheid of als iemand tijdelijk een ander kapsel wil.
  3. Let op: Spelling (deels) uit 1864: Paruik, v. (-en), kunstmatig hoofdhaar. ~EBOL, m. (-len), houten hoofd (om er paruiken op te maken); [figuurlijk] die veel doch verwild...
  4. 1) Feestartikel 2) Grisaille 3) Haar 4) Haardos 5) Haardracht 6) Haargroei 7) Haarstuk 8) Haarstukje 9) Haarwerk van vals haar 10) Haren 11) Hoofdbedekking 12) Hoofddekse...
  5. Een pruik is een kunstmatig kapsel, dat op het hoofd gedragen de suggestie geeft een werkelijk kapsel te zijn. Een pruik die een gedeelte van het hoofd bedekt wordt toup...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met pruik:
pruiken

Deze woorden eindigen op pruik:
bokkenpruik

Herkomst volgens etymologiebank.nl
pruik (valse haardos)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `pruik` kennen.