het predicaat

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [predi'kat]
Verbuigingen:  predi|caten (meerv.)

1) iets eervols dat over je wordt gezegd
Voorbeelden:  `In 1988 kreeg het orkest het predicaat 'Koninklijk' .`,
`afstuderen met het predicaat 'cum laude'`
Synoniem:  eretitel

2) (in een zin) wat over het onderwerp wordt verteld taalkunde
Voorbeeld:  `Het predicaat bevat ten minste de werkwoorden uit een zin.`

© Kernerman Dictionaries.

8 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling van 1858 Attribuut, naam, benaming; (redeneerk.) datgene, wat van eene zaak gezegd wordt, of de eigenschappen, die aan een voorwerp toegekend worden; in ...
  2. Het gezegde. Dat wat in een oordeel van het subject gezegd wordt
  3. • [grammatica] naamwoordelijk deel van het gezegde. •betiteling, met name een eretitel.
  4. 1) Beoordeling 2) Betiteling 3) Benaming 4) Eretitel 5) Gezegde 6) Loffelijke bijvoeging 7) Taalkundige term 8) Term uit het wielrennen
  5. Predicaat (van het Latijnse woord praedictum) betekent letterlijk `dat wat ergens van gezegd wordt`: een kwaliteit, eigenschap of gezegde dus. In de Nederlandse wet is s...
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
predicaat (gezegde; loffelijke bijvoeging)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 95% van de Vlamingen het woord `predicaat`.