het paswoord

zelfst.naamw.
Uitspraak:  ['pɑswort]
Verbuigingen:  paswoord|en (meerv.)

codewoord dat je moet zeggen of typen voor je toegang krijgt
Voorbeelden:  `paswoord is een malle vernederlandsing van het Engelse 'password'.`,
`Als je echt veilig wilt internetten moet je regelmatig je paswoord veranderen.`
Synoniemen:  wachtwoord, password

© Kernerman Dictionaries.

Taaladvies
Paswoord / password / wachtwoord: Wat is correct: paswoord, wachtwoord of password?

1 definitie op Encyclo
  1. [Belgisch Nederlands] wachtwoord
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 77% van de Nederlanders en 97% van de Vlamingen het woord `paswoord`.