I onttrekken aan

werkw.
Uitspraak:  [ɔnˈtrɛkə(n) an]
Vervoegingen:  onttrok aan (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft onttrokken aan (volt.deelw.)

iets aan het zicht/oog onttrekken  (zorgen dat iets niet meer zichtbaar is) `De trap werd aan het oog onttrokken doordat er een draaibare boekenkast voor zat.`


II zich onttrekken aan

reflexief werkw.
Uitspraak:  [ɔnˈtrɛkə(n) an]
Vervoegingen:  onttrok zich aan (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft zich onttrokken aan (volt.deelw.)

opzettelijk proberen niet te doen wat wel van je verwacht wordt
Voorbeeld:  `zich met een smoesje aan een vervelende verplichting onttrekken`

© Kernerman Dictionaries.