de ontrouw

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  ['ɔntrɑu]

eigenschap dat je iemand of iets niet steunt, terwijl dat wel van je verwacht wordt
Antoniem:  trouw

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
afval deloyaal helling het niet-trouw-zijn niet-trouw-zijn oneerlijkheid ongelovigheid onjuistheid overspel overspelig perfidie rommel trouwbreuk trouweloos trouweloosheid vermindering trouw (antoniem)

4 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: v. [geen meervoud] trouweloosheid, gebrek aan eerlijkheid. ~, [bijvoegelijk naamwoord] en [bijwoord] (-er, -st), trouweloos. ~ELIJK, (B...
  2. 1) Afval 2) Afvallig 3) Afvalligheid 4) Deloyaal 5) Echtbreuk 6) Echtschending 7) Felonie 8) Gelofte verbreken 9) Helling 10) Infideel 11) Infideliteit 12) Leenbreuk 13) ...
  3. Bijna alle mannen en vrouwen die getrouwd zijn of een vaste relatie hebben met één persoon vinden ontrouw een van de moeilijkste onderwerpen in de relatie. Los van het ...
  4. [film] - Ontrouw is een Nederlandse stomme film uit 1911 in zwart-wit. De film wordt gezien als een van de eerste langspeelfilms (voor die tijd was 40 minuten lang, de g...
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `ontrouw`.