de monnik

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [ˈmɔnək]
Verbuigingen:  monnik|en (meerv.)

man die in een klooster woont religie

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
broe broeder frater kloosterling

Spreekwoorden en zegswijzen
• het zijn niet allen monniken die kappen dragen (=niet het uiterlijk vertoon bewijst iemands vaardigheid)
• gelijke monniken gelijke kappen (=gelijke mensen verdienen/krijgen een gelijke behandeling)
• de kap maakt de monnik niet (=aan het uiterlijke kan men het innerlijke niet beoordelen)
Naar de spreekwoorden

22 definities op Encyclo
  1. man die in een klooster leeft vb: de monniken bidden en werken
  2. [Levensbeschouwing] geestelijke die in een klooster leeft
  3. opstaande hindernis van metselwerk of natuursteen, aangebracht op een beer Beer met twee monniken (foto: J. de Zee)
  4. Afkomstig van Lat. `monachus`=alleen levende. Iemand dus die zich afzonderde. Echter, sinds de derde eeuw organiseerden deze christelijke monniken zich in groepen bij elk...
  5. Opstaande hindernis van metselwerk of natuursteen, aangebracht op een beer. Beer met twee monniken (foto: J. de Zee)
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met monnik:
monnikenmonnikenwerkmonnikskap

Herkomst volgens etymologiebank.nl
monnik (mannelijke kloosterling)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `monnik` kennen.