leidekken

werkw.
Verbuigingen:  geleidekt<br>leigedekt

voorzien van een leistenen dak
Voorbeelden:  `Zij waren aan het leidekken.`,
`Een wonder dat hij nog een vak leerde, leidekken, och, och, ook al 'n vak, waarvan als je 't goed beziet, niks overblijft.`


Bron: WikiWoordenboek.