knabbelen

werkw.
Uitspraak:  [ˈknɑbələ(n)]
Vervoegingen:  knabbelde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft geknabbeld (volt.deelw.)

met kleine hapjes eten
Voorbeelden:  `knabbelen aan een stuk chocola`,
`knabbelen op een nootje`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
kauwen peuzelen smikkelen

3 definities op Encyclo
  • er kleine stukjes af bijten vb: zij knabbelde aan een koekje
  • kort op iets bijten Jaar van herkomst: 1562 (Claes )
  • 1) Bijten 2) Kauwen 3) Kluiven 4) Knagen 5) Knibbelen 6) Met kleine stukjes afbijten 7) Moffelen 8) Peuzelen 9) Smikkelen 10) Stukjes afbijten 11) Wauwelen
  • Toon uitgebreidere definities

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    knabbelen (met kleine beten knagen, kluiven)