ketser als dialectwoord
• aansteker (Swalmens) • fout (Arnhems) • aansteker (Hunsels) • aansteker, ook rokkenjager (Weerts) • glazen knikker (Zeilbergs) • kaatser (Budels) Toon alle 7 dialectwoorden7 definities op Encyclo
- Uit `De lagere vaktalen: De molenaarstaal` 1914 die rondrijdt om zakken voor den molen bij te halen. - Ne ketser moet dikwijls groote vrachten opnemen.
- vrachtrijder, iemand die met een wagen rondrijdt, die ketst (zie: ketsen 4) - Voorbeeld: ‘Daar kriepten meteen de wielen van ene kar en Lieva hoorde 't dokkeren van 't getrek in de diepe wagenslagen; daar ze opkeek zag ze juist van bachten de tronken, boven de oeverbarm, de kop van een peerd en seffens had...
- [slang] blunt; bob; ketser; pit; soekkoe; toektoek = joint
- [jongerentaal] joint
- 1) Zwierbol 2) Fiasco 3) Vrachtrijder 4) Molenaarsknecht 5) Paard dat een trekschuit trekt 6) Pierewaaier
Toon uitgebreidere definitiesOp andere websites
Zoek ketser in het
Algemeen Nederlands Woordenboek
Zoek ketser op
Google
Zoek ketser op
Woordenlijst.org
Zoek ketser in de woordenboeken van het
Instituut voor de Nederlandse Taal
Zoek ketser op
Wikipedia