infatsoenlijk

bijv.naamw.

heel keurig
Voorbeelden:  `Aad de Haas, geboren in de Schooterboschstraat in Rotterdam als oudste van zeven kinderen van een infatsoenlijk katholiek gezin, volgde van 1938 tot 1942 een opleiding aan de Academie van Beeldende Kunsten.`,
`(...) en vlucht met zijn dochters weg onderzee...`


Bron: WikiWoordenboek.

Deze woorden eindigen op infatsoenlijk:
in- en infatsoenlijk