de huisgenoot

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  ['hœysxənot]
Verbuigingen:  huisge|noten (meerv.)

de huisge|note

zelfst.naamw. (v.)
Uitspraak:  ['hœysxə|notə]
Verbuigingen:  huisgenote|n, huisgenote|s (meerv.)

iemand met wie je een woning deelt
Voorbeelden:  `badkamer en keuken delen met je huisgenoten`,
`spelletjesavond met huisgenoten`,
`Nieuwe huisgenoten worden geballoteerd door de bewoners.`

© Kernerman Dictionaries.

3 definities op Encyclo
  1. 1) Gezinslid 2) Iemand die bij je woont 3) Mede-inwoner 4) Medebewoner
  2. [personen- en familierecht] persoon die met anderen hetzelfde huis bewoont…
  3. Huisgenoot is een Afrikaanstalig gezinstijdschrift, dat wekelijks in Zuid-Afrika en Namibië wordt uitgegeven. Huisgenoot heeft de hoogste circulatie van alle gedrukte Z...
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `huisgenoot` kennen.