de hospita
zelfst.naamw. (v.)
| Uitspraak: | ['hɔspita] |
| Afbreekpatroon: | hos·pi·ta |
| Verbuigingen: | hospita's (meerv.) |
eigenares van het huis waarin je een kamer huurt Synoniemen
gastvrouw kamerverhuurster waardin 4 definities op Encyclo
- •een persoon van het vrouwelijk geslacht die een of meer kamers in zijn of haar eigen woonhuis ter beschikking stelt aan een kostganger of commensaal.
- vrouw bij wie je op kamers woont vb: mijn hospita vindt het niet goed dat ik op mijn kamer kook
- 1) Ploertin 2) Juffrouw 3) Beroep 4) Kotmadam 5) Huisbaas 6) Kostvrouw 7) Kostjuffrouw 8) Huisjuffrouw 9) Huurbaas 10) Gastvrouw 11) Vrouw bij wie men voor geld op kamers woont 12) Waardin 13) Kamerverhuurster
- kostjuffrouw Jaar van herkomst: 1646 (WNT wen II )
Toon uitgebreidere definitiesDeze woorden beginnen met hospita:
•
hospitaal•
hospitaalschip•
hospitaalsoldaat•
hospitalisatie•
hospitaliseren•
hospitaliteit•
hospitantHerkomst volgens etymologiebank.nl
hospita (kostvrouw)Vraag & Antwoord voor je slimme speaker
Is het 'de hospita' of 'het hospita'?
Het is 'de hospita', want hospita is vrouwelijk. Als je het aanwijst is het 'die hospita'.
Wat is het meervoud van hospita?
Het meervoud van hospita is 'hospita's'. Eén hospita, twee hospita's.
Wat betekent hospita?
'eigenares van het huis waarin je een kamer huurt'
Hoe spel je hospita?
hospita spel je H O S P I T A
Wat is een ander woord voor hospita?
Andere woorden voor hospita zijn gastvrouw, kamerverhuurster en waardin.Op andere websites
Zoek hospita in het
Algemeen Nederlands Woordenboek
Zoek hospita op
Google
Zoek hospita op
Woordenlijst.org
Zoek hospita in de woordenboeken van het
Instituut voor de Nederlandse Taal
Zoek hospita op
Wikipedia