horen bij

werkw.
Uitspraak:  [ˈhorə(n) bɛi]
Vervoegingen:  hoorde bij (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gehoord bij (volt.deelw.)

1) passen bij (iets of iemand)
Voorbeeld:  `Welke adressen horen bij die namen?`

2)
bij elkaar horen  ((van personen of dingen) een stel vormen of samen zijn) `U bent aan de beurt, want wij horen bij elkaar.`

© Kernerman Dictionaries.