hockeyen

werkw.
Uitspraak:  ['hɔkijə(n)]
Afbreekpatroon:  hoc·key·en
Vervoegingen:  hockeyde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gehockeyd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

hockey spelen sport
Voorbeelden:  `hockeyen met beschermende kleding`,
`Ze kan goed hockeyen.`

Zie ook:  hockey


1 definitie op Encyclo
  • 1) Een balsport uitoefenen
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op hockeyen:
ijshockeyenrolhockeyenzaalhockeyen

Vraag & Antwoord voor je slimme speaker
Wat is de verleden tijd van hockeyen?
De verleden tijd van hockeyen is 'hockeyde'. Het voltooid deelwoord is 'heeft gehockeyd'.
Wat betekent hockeyen?
'hockey spelen'
Hoe spel je hockeyen?
hockeyen spel je H O C K E Y E N

Op andere websites
Zoek hockeyen in het Algemeen Nederlands Woordenboek
Zoek hockeyen op Google
Zoek hockeyen op Woordenlijst.org
Zoek hockeyen in de woordenboeken van het Instituut voor de Nederlandse Taal
Zoek hockeyen op Wikipedia