de havoër

zelfst.naamw. (m.)
Verbuigingen:  havoërs

scholier die op het havo zit of iemand havo gedaan heeft


Bron: WikiWoordenboek.

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 59% van de Nederlanders en 20% van de Vlamingen het woord `havoër`.