glippen

werkw.
Uitspraak:  ['xlɪpə(n)]
Vervoegingen:  glipte (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  is geglipt (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

wegglijden
Voorbeeld:  `De vis was zo glad dat hij uit mijn handen glipte toen ik hem onder de kraan hield.`
(door je vingers) laten glippen  (aan je voorbij laten gaan) `de overwinning door je vingers laten glippen`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
floepen glibberen glijden losschieten rennen slippen wegglippen

3 definities op Encyclo
  1. door glijden naar een andere plaats schuiven vb: ik glipte op de gladde vloer Synoniem: uitglijden snel en stiekem ergens in, door, of langs gaan vb: hij glipte door het ...
  2. 1) Floepen 2) Glibberen 3) Glijden 4) Losschieten 5) Rennen 6) Slippen 7) Uitglijden 8) Wegglijden 9) Wegglippen
  3. uitglijden, ontglijden Jaar van herkomst: 1588 (Claes )
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
glippen (uitglijden; vluchten; ontschieten)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `glippen`.