het gezeik

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [xə'zɛik]

het hinderlijk blijven zeuren informeel
Voorbeelden:  `Ik ben al dat gezeik op mijn werk spuugzat.`,
`Wat een gezeik over de politie. Doen ze een keer goed hun werk, is het weer niet goed.`
Synoniemen:  gezanik, gezeur

© Kernerman Dictionaries.

2 definities op Encyclo
  1. [Nederlands] Gezeur
  2. 1) Gewauwel
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
gezeik (kletspraat)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 97% van de Vlamingen het woord `gezeik`.