fluoresceren

werkw.
Uitspraak:  [flyworɛ'serə(n)]
Afbreekpatroon:  flu·o·res·ce·ren
Vervoegingen:  fluoresceerde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gefluoresceerd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

(van bepaalde stoffen) invallend licht terugkaatsen en daardoor licht uitstralen
Voorbeelden:  `Als het heel erg warm en rustig weer is, kan de zee fluoresceren, maar het komt door een heel klein diertje in zee.`,
`fluorescerende verf`


1 definitie op Encyclo
  • licht uitstralen Jaar van herkomst: 1886 (KKU )
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
fluoresceren (licht uitstralen)

Vraag & Antwoord voor je slimme speaker
Wat is de verleden tijd van fluoresceren?
De verleden tijd van fluoresceren is 'fluoresceerde'. Het voltooid deelwoord is 'heeft gefluoresceerd'.
Wat betekent fluoresceren?
'(van bepaalde stoffen) invallend licht terugkaatsen en daardoor licht uitstralen'
Hoe spel je fluoresceren?
fluoresceren spel je F L U O R E S C E R E N

Op andere websites
Zoek fluoresceren in het Algemeen Nederlands Woordenboek
Zoek fluoresceren op Google
Zoek fluoresceren op Woordenlijst.org
Zoek fluoresceren in de woordenboeken van het Instituut voor de Nederlandse Taal
Zoek fluoresceren op Wikipedia