de/het facet

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [fa'sɛt]
Verbuigingen:  facet|ten (meerv.)

1) kant of onderdeel van een zaak
Voorbeeld:  `Dit is een gecompliceerde kwestie met veel facetten.`
Synoniem:  aspect

2) geslepen vlak
Voorbeelden:  `een diamant in facetten slijpen`,
`glazen tafel met facet geslepen rand`

3) elk van de buisjes van een insektenoog
Voorbeeld:  `Elk facet van een oog zorgt voor de opname van één beeldpunt.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aspect gedeelte opzicht

8 definities op Encyclo
  1. Uit `De lagere vaktalen: Diamantbewerking` 1914 ruitje, facet.
  2. Uit `De lagere vaktalen: Diamantbewerking` 1914 van één kant, wanneer de ruit te veel op een kant loopt, dan moet de dop verbogen worden, opdat alles gelijk loopt. Dit ...
  3. het oppervlak van een ommatidium, een van de eenheden van het samengestelde oog. Alternatieven: facetten
  4. aspect, kant Jaar van herkomst: 1901 (WNT )
  5. onderdeel of kant van een bepaalde zaak vb: er is één facet waar we het nog niet over gehad hebben Synoniem: aspect
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met facet:
facetefacetenfacetoogfacetteerfacetteerdefacetteerdenfacetteertfacetten

Deze woorden eindigen op facet:
defacetgedefacetgefacetgeinterfacetinterfacet

Herkomst volgens etymologiebank.nl
facet (vlak van een veelvlakkig voorwerp; kant, aspect)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 97% van de Nederlanders en 96% van de Vlamingen het woord `facet`.