dach als dialectwoord
• dacht (Venloos) Spreekwoorden en zegswijzen
• twee zielen, één ge
dachte
(=twee mensen die op hetzelfde moment hetzelfde idee hebben)• op twee ge
dachten hinkelen/hinken
(=moeilijk kunnen beslissen)• ge
dachten zijn tolvrij
(=iedereen mag vrij denken wat diegene wil)• één uur van onbe
dachtzaamheid, kan maken dat men jaren schreit
(=één moment van onvoorzichtigheid kan verschrikkelijke gevolgen hebben)• de wens is de vader van de ge
dachte
(=je gelooft iets, omdat je wil dat het zo is)Naar de spreekwoorden1 definitie op Encyclo
- [Let op: mogelijk oud Nederlands van 1400-1800] vervaldag, betaaldag, rechtzittingsdag
Toon uitgebreidere definitiesOp andere websites
Zoek dach in het
Algemeen Nederlands Woordenboek
Zoek dach op
Google
Zoek dach op
Woordenlijst.org
Zoek dach in de woordenboeken van het
Instituut voor de Nederlandse Taal
Zoek dach op
Wikipedia