de ceder

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  ['sedər]
Verbuigingen:  ceder|s (meerv.)

grote groenblijvende den waarvan het hout lekker ruikt en duurzaam is
Voorbeelden:  `een cederhouten doosje`,
`Pitten van Chinese ceders kunnen worden gebruikt als pijnboompitten.`,
`Voor de bouw van de Salomo's tempel in Jeruzalem is cederhout uit de Libanon gebruikt.`

© Kernerman Dictionaries.

Spreekwoorden en zegswijzen
• ook de ceders van Libanon worden afgehouwen (=ook heilige dingen vergaan.)
Naar de spreekwoorden

9 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. (-s), gewas, boom. ~BOOM, m. (-en). ~HOUT, o. [geen meervoud] ~HOUTEN, [bijvoegelijk naamwoord] ~WIJN, m.
  2. Let op: Spelling van 1914 sur. Zie CEDRELA.
  3. naaldboom Jaar van herkomst: 1100 (Willeram )
  4. •"(Cedrus)" een boom uit het geslacht van coniferen dat behoort tot de dennenfamilie.
  5. 1) Altijdgroene naaldboom 2) Altijd groene naaldboom 3) Boom 4) Boom in Europa 5) Boom uit de Libanon 6) Boom uit Syrië 7) Conifeer 8) Grote naaldboom 9) Naaktzadigen 10...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met ceder:
cederenceders

Herkomst volgens etymologiebank.nl
ceder (altijdgroene naaldboom met welriekend hout, van het geslacht Cedrus)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 92% van de Nederlanders en 92% van de Vlamingen het woord `ceder`.