brandschoon

bijv.naamw.
Uitspraak:  [ˈbrɑntsxon]

1) helemaal schoon
Voorbeeld:  `een brandschone vloer`
iemand met een brandschoon verleden  (iemand die nooit iets strafbaars of onfatsoenlijks heeft gedaan)

2) die helemaal geen alcohol of drugs gebruikt heeft
Voorbeeld:  `Ik rij wel, want ik ben brandschoon.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
brandhelder kraakhelder schoon smetteloos vlekkeloos

Spreekwoorden en zegswijzen
• niet brandschoon zijn (=dingen misdaan hebben)
Naar de spreekwoorden

Taaladvies
Schrijf je dit woord met een trema, of niet, hygiëne of hygiene? Zie hygiëne / hygiene

1 definitie op Encyclo
  • 1) Brandhelder 2) Helder 3) Kraakhelder 4) Onbevlekt 5) Rein 6) Schoon 7) Smetteloos 8) Vlekkeloos 9) Zeer schoon 10) Zeer zindelijk 11) Zindelijk 12) Zuiver
  • Toon uitgebreidere definities

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    brandschoon