de boon

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  [bon]
Verbuigingen:  bonen (meerv.)

1) langwerpige vrucht met zaden erin die je kunt eten
Voorbeelden:  `sperzieboon`,
`bruine bonen`,
`koffiebonen`
je eigen boontjes doppen  (zelf je zaken regelen)

2)
in de bonen zijn  (niet goed weten waar je bent of wat je moet doen)
heilig boontje  (iemand die doet alsof hij braaf en onschuldig is)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
bruine boon herenboon prinsessenboon slaboon snijboon sperzieboon suikerboon

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn eigen boontjes doppen. (=geen beroep doen op hulp van anderen; zijn eigen problemen zelf oplossen.)
• zijn boontjes op iets te week leggen (=stellig op iets rekenen)
• geen heilig boontje zijn (=zich niet altijd even braaf voordoen)
• ergens zijn boontjes op te weken leggen (=stellig op iets rekenen (dat helemaal niet zeker is))
• een heilig boontje zijn (=erg braaf zijn)
Toon alle 9 spreekwoorden die boon bevatten

14 definities op Encyclo
  1. •een eetbare peulvrucht.
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: v. (-en), soort schilgewas aan staken groeiende; -en doppen, van de schil ontdoen; [figuurlijk] dat is zoo veel als eene - in een brouw...
  3. Phaseolus, boon • puparium in de mijn, in een, meestal onderzijdige, poppenwieg: Chromatomyia horticola • larve verlaat voor de verpopping de mijn via een boogvo...
  4. Uit `De lagere vaktalen: De steenbakkerstaal` 1914 heel klein stukje kool.
  5. (Genus Phaseolus) -Boon- Volledige wetenschappelijke naam: Phaseolus L.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op boon:
cacaobooncarboonprinsessenboonsuikerboonkoffieboonsnijboonslaboonsojaboonspercieboonsperzieboonpronksnijboonherenboontuinboonadzukiboonadukiboonpaardenboonpronkboon

Herkomst volgens etymologiebank.nl
boon (peulvrucht)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `boon`.