boomrijk

bijv.naamw.
Verbuigingen:  boomrijker
Verbuigingen:  boomrijkst

rijk aan boomen en bosschen, dicht met bomen beplant
Voorbeeld:  `De aanhef van de bundel neemt je mee in een van de vele meanders van de Schelde, met zijn typisch boomrijk landschap, zijn watergronden, het trompen van de boten, het water dat de landschappen scheidt en onbereikbaar maakt, de waterkant, de geur van teer en slijk, de fauna en de flora in de dagen van mist en isolatie.`


Bron: WikiWoordenboek.

Synoniemen
bebost bosrijk houtrijk

1 definitie op Encyclo
  1. 1) Bebost 2) Bosachtig 3) Bosrijk 4) Houtrijk 5) Met veel bomen
Toon uitgebreidere definities